André stond op een wiebelige trap de piek op de kerstboom te doen, toen met een zware klap de post op de deurmat viel. Hij kon zich nog net aan een balk vastgrijpen, anders was hij met kerstboom en al naar beneden gevallen. Mopperend liep hij de trap af om te zien welk bijzonder pakket zijn leven zo in gevaar had gebracht.

Hij had ook helemaal geen post verwacht. Hij woonde nog maar net hier in Ondorp, een klein dorpje met maar 900 inwoners dat redelijk geïsoleerd lag. Zo kon je ook de inwoners wel omschrijven, had hij al wel gemerkt. Iedereen was vriendelijk en aardig, maar ook erg op zichzelf. Het zgn. ‘noaberschap’ wat je vaak aantreft in kleine dorpjes was hier niet. Zelfs bij de bakker of de kapper maakten de mensen geen praatje. En dat miste hij toch wel. Sterker nog: juist dáárom was hij vanuit de stad verhuisd naar het dorp. Hij vond de anonimiteit in de stad en de manier waarop mensen op de straat zo langs je heen keken maar niks. Hij wil aanspraak en gezelligheid.


André liep de net geschilderde gang in naar de voordeur en zag een groot, plat pakketje liggen. “Heb jij nu die kleine aardbeving veroorzaakt?” mompelde hij hardop tegen het pakje. Hij pakte het pakket van de vloer. Het voelde best wel zwaar. Zo te zien paste het ook maar net door de brievenbus. Wat zou het zijn? En van wie? Hij zag echter helemaal geen afzender op de doos. En wat nog vreemder was, ook geen geadresseerde. Nergens stond zijn naam of adres op de doos. Eigenlijk was er niets aan de buitenkant van het pakket dat hem wijzer maakte. Wel nieuwsgieriger. Met een bepaalde voorzichtigheid – want je weet maar nooit – maakte hij het pakket open.

Een puzzelstuk. Een puzzelstuk met de piek van een kerstboom. Meer zat er niet in. “Vast verkeerd bezorgd”, zei André hardop. “Nou ja, het zal wel. Is nu niet belangrijk. Eerst even bij de bakker langs voor een kerststol en koekjes.” André trok zijn jas en handschoenen aan, pakte zijn sleutel en ging op weg. Bij de bakker stonden al meer mensen te wachten en zoals hij inmiddels gewend was, keek iedereen vriendelijk, maar zei niemand iets. Het was net alsof alle bewoners van Ondorp een stilzwijgende afspraak hadden om zich niet met elkaar te bemoeien. Ieder deed zijn ding en ieder liet de ander zijn ding doen. Van een dorpsgevoel of een collectieve energie was geen sprake. Soms zocht André bewust oogcontact of stootte hij ‘per ongeluk express’ tegen iemand aan, maar er kwam niets terug. Je zag ook helemaal geen kerstverlichting of -decoratie in de straten of op het plein. Alleen bij mensen thuis. Had hij misschien toch niet moeten verhuizen?

Op weg naar huis met de kerststol en koekjes in de tas, zag hij opeens iemand lopen met net zo’n groot, plat pakket als hij had ontvangen thuis. Zou iemand in zijn huis zijn geweest? En dat pakket gestolen hebben? Soort van boos en nieuwsgierig tegelijk liep André naar de vrouw. “Pardon, hoe komt u aan dat pakket?” De vrouw keek verschrikt op, niet gewend dat iemand haar op straat aan sprak. “Deze lag in mijn brievenbus, maar is niet voor mij. Ik breng hem terug naar het postkantoor.” Dat vond André een goed idee. Zodra hij de koekjes en de stol thuis had opgeborgen, greep hij het mysterieuze pakket en liep naar het postkantoor.

Het eerst wat hem bij binnenkomst opviel, was het geluid. Stemmen. Dat was vreemd. Normaal hoorde je hier hooguit het schrapen van een stoel of het korte “goedemorgen” van Jeanet, de baliemedewerkster. Nu klonk er geroezemoes, alsof hij een café binnenliep.

Hij bleef even staan, zijn hand nog om het platte pakket geklemd. Was er een besloten bijeenkomst waar hij niets van af wist? Was het wel verstandig om naar binnen te gaan? Hij deed de deur tussen de hal en de loketruimte voorzichtig een klein beetje open en deed een stap naar voren. Binnen zag hij mensen dicht bij elkaar staan. Te dicht, eigenlijk, voor Ondorp. En allemaal hielden ze iets groots onder hun arm. André herkende het meteen. Hetzelfde formaat. Hetzelfde karton. Vanuit het geroezemoes kon hij langzaamaan steeds meer verstaan. “Heb jij ook…?” hoorde hij iemand zeggen. “Ik hoorde dat iedereen een puzzelstuk heeft ontvangen.” “Wat zou hiervan de bedoeling zijn?” “Wie heeft er net als ik een stuk van kerstman?”

Opeens kwam er een jongeman op André af. “Wat heb jij?”, vroeg hij terwijl hij wees op het pakket dat André onder zijn arm had. “Stuk kerstboom”, antwoordde André. “Dan moet je naar Tony toe. Die heeft ook een stuk kerstboom.” André wist wel wie Tony was. Want ook al sprak in dit dorp niemand met elkaar, in zo’n klein dorp kende je elkaar wel.

André liep richting Tony’s huis dat net achter de Brink lag, toen hij plots stopte. Hij zag een klein groepje mensen met elkaar praten. Dat was vreemd. Niemand praatte met elkaar in Ondorp. En daar zag hij opeens Geert, de bakker, aankomen lopen, samen met Mandy, de kapster. Ze liepen opgewonden naar Safroné van de slijterij met ieder een puzzelstuk in hun hand. Ook zag hij ook Mohammed de groenteman die met Nicolien, zijn naaste buurvrouw, en nog een paar anderen druk in de weer waren.

André kreeg spontaan tranen in zijn ogen. Nog nooit had hij zoveel mensen op het plein gezien. En met elkaar bezig. Overal werden puzzelstukken tegen elkaar gehouden. Hoeken, randen, kleuren die net niet pasten — en soms wel. Bij elk passend stuk ging er een klein geluidje op. Een lach. Een “kijk dan!”

“Het is toch wat, hè.” André draaide zich om. Joep de kastelein stond naast hem, een brede grijns onder zijn snor. André zei niets. Hij knikte alleen en slikte een brok in zijn keel weg. Joep vervolgde: “Ik weet niet wie de bedenker is van deze stunt, maar het schijnt dat alle dorpsbewoners een puzzelstuk hebben gekregen van één grote kerstpuzzel.”

En inderdaad kwamen er nog meer mensen het plein op. Allemaal met een puzzelstuk in de handen. Iedereen ging op zoek naar mensen met een aangrenzend puzzelstukje. André zag stukken van een kerstboom, net als het zijne. Een kerstman in een arreslee. Carol singers. Huizen met een krans op de voordeur. Het begon te lijken op een klassieke kerstafbeelding, zoals hij die vroeger in oude boeken had gezien.

En ondertussen gebeurde er ook iets anders. Mensen raakten aan de praat. Niet alleen over de puzzel, maar over van alles. Over muziek, over werk, over hoe lang ze hier al woonden. Er ontstond echt contact. Alsof ze elkaar nu pas écht zagen.

En dat leidde soms toch bizarre ontdekkingen. Zo ontdekten Tim, Mouscha, Marleen en Roberto dat ze alle vier muzikant waren. Ze besloten spontaan hun instrumenten op te halen en gingen op het plein kerstliedjes spelen. Ontroerd bleven mensen staan luisteren. Sommigen grepen elkaar bij de hand of omhelsden elkaar. Joep had zijn bar open gedaan en Geert deelde kerstkoekjes uit.

André bleef even staan en keek om zich heen. Het was hetzelfde plein. Dezelfde mensen. Maar het voelde anders. Nog nooit had André zo’n bijzondere kerstgebeurtenis meegemaakt. En dat allemaal in een dorp waar je niets van zou verwachten. Hij was blijkbaar niet de enige die zo dacht. Want de volgende dag stond in de krant: “Ondorp heet vanaf nu Onsdorp”. En tot op de dag van vandaag is er geen dorp waarin de bewoners hechter met elkaar samen leven als daar en geen plek waar André liever zou zijn. In Onsdorp.

Fijne Kerstdagen en een Gelukkig Nieuwjaar.

Eén reactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *